Meer dan ooit Festival 20/21

2018: de 21e eeuw wordt meerderjarig! De vorige eeuw begint daardoor steeds meer tot het verleden te behoren. De afstand tussen de muziek van de jaren 1900 (Novecento) en de ‘nieuwe’ muziek (Transit) wordt alsmaar groter. Het doel van Festival 20/21 kan natuurlijk niet zijn om afstanden te scheppen. Integendeel, ons festival wil bruggen bouwen tussen morgen, vandaag en gisteren. Het wil de onwaarschijnlijke veelzijdigheid van de recente muzikale geschiedenis hoorbaar maken en de vinger aan de pols houden van wat er nu leeft.

Dat is wat de naam Festival 20/21 ook duidelijk maakt: we focussen op de muziek van de 20e én de 21e eeuw, als op één gigantische, naar alle kanten uitwaaierende stroom van muzikale vernieuwingen.

Geen grens kan ons daarbij tegenhouden, en zeker niet zo’n willekeurige grens als een jaartal. Daarom laten we voortaan de naam Novecento achterwege. Ook heel wat muziek uit de 21e eeuw staat intussen immers al te popelen om zich in het collectieve geheugen te nestelen en mee een plaats op te eisen naast het rijke repertoire van de 20e eeuw. Het is onze taak om dat mee mogelijk te maken.

Voortaan heten we dus gewoon FESTIVAL 20/21:

  • een festival dat er bij ieder concert naar streeft om als een speer binnen te dringen in een van de kernen van de recente muziekgeschiedenis;
  • een festival dat het repertoire van het nabije verleden centraal plaatst en tegelijk onbevreesd vooruitkijkt naar wat de muzikale toekomst brengt;
  • Transit, het creatiefestival voor nieuwe muziek, blijft daarbij een heel bijzondere rol opeisen: want wat zou een speer zijn zonder speerpunt?!

Over de missie van Festival 20/21 en het eerste festivalessay

(ter gelegenheid van de presentatie van Gescinska’s essay Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid; Barbóék, 2 oktober 2018)

Vooraleer met Alicja Gescinska in gesprek te gaan, wil ik graag twee belangrijke vragen kort voor u toelichten. De eerste vraag is: Waarom wilde Festival 20/21 een festivalessay laten schrijven, en waarom wil het dat in de toekomst nog vaker laten doen? En de tweede: Waarom vroeg Festival 20/21 uitgerekend aan Alicja Gescinska om dit eerste festivalessay te schrijven?

Wat de eerste vraag betreft, beperk ik mij tot de twee belangrijkste elementen. Ten eerste willen we als festival meer zijn dan ‘alleen maar’ een reeks van concerten. Concerten blijven natuurlijk onze kerntaak, maar het is essentieel dat de uitvoering van muziek uit de 20ste en 21ste eeuw niet plaatsvindt in isolement. Iedere kunst zegt op haar eigen manier iets over de werkelijkheid waarin we leven, maar de verschillende kunsten kunnen mekaar ook aanvullen. Door in dialoog te treden met ander kunsten heffen ze niet alleen hun eigen beperkingen op, maar versterken ze ook vaak hun eigen intrinsieke kwaliteiten. Vandaar dat we graag de hand reiken naar andere kunstvormen, waaronder de essayistiek.

Voor de recentere kunsten, en bij uitstek voor nieuwere muziek, is isolement overigens zeker geen denkbeeldig gevaar. Het is daarom des te meer de taak van een festival om die zelfgerichtheid (die soms in zelfgenoegzaamheid kan ontaarden) te doorbreken. In de mate dat de nieuwere muziek de reputatie heeft om ontoegankelijk te zijn, is het onze missie om die reputatie – die even vals als begrijpelijk is – te lijf te gaan. Enerzijds doen we dat via zorgvuldige muzikale en programmatorische keuzes, anderzijds door die keuzes in een ruimer, muziekoverschrijdend perspectief te plaatsen.

Een tweede antwoord heeft te maken met de unieke inbedding van Festival 20/21 in Leuven. Hoewel ons festival absoluut geen festival vàn de universiteit is, heeft het geen zin om in deze stad een festival te organiseren dat zich niet op een of andere manier tot ‘die universiteit’ verhoudt. Voor een heel groot deel van ons publiek vormt die universiteit immers de dagelijkse omgeving. Die universiteit is, zoals alle universiteiten, in de eerste plaats een centrum van kritische reflectie en vernieuwing. Zij tast zowel het verleden als de toekomst af. Zij zoekt en vorst, in de wetenschap dat haar zoeken en vorsen niet altijd succesvol kan zijn. Zij schept vanuit het recht op mislukking en de hoop op verbetering. Zij richt zich op de toekomst zonder het verleden te verloochenen. Zij daagt zichzelf uit en zo ook de maatschappij waarin ze zich beweegt. Dat is precies ook het breukvlak waarop Festival 20/21 zich positioneert. Net zoals de universiteit onderzoekt het festival de toekomst vanuit het verleden. Het hanteert daarvoor andere objecten en strategieën, maar wil net zo goed de kritische reflectie over en de schurende omgang met zijn eigen eigentijdsheid niet schuwen. Het zoekt niet naar comfort, maar naar confrontatie. Het essay is daarbij een uitgelezen bondgenoot. Het is bij uitstek het genre waarin kritiek en kunst bij elkaar komen, en als zodanig ook de ideale vorm om met ons festival mee gestalte te geven aan onze basisovertuiging dat kunst niet vrijblijvend is. Hoewel ons festival natuurlijk geen ban wil leggen op een genietend luisteren naar muziek, ligt zijn eigenlijke ambitie wel hoger: het wil de intensiteit van de artistieke beleving aanscherpen. Het wil via het oor evenzeer binnendringen in het hart als in de hersenen. Dat is absoluut geen vorm van intellectualisme; het is gewoon een manier om iedere luisteraar in zijn veelzijdige volwaardigheid te respecteren. Het festival legt daarbij vanzelfsprekend geen beslag op de luisteraar, maar het daagt hem of haar wel uit, het verwelkomt zijn luisteraars in een intensiteit die niet alledaags, maar wel noodzakelijk is. En daarmee ben ik eigenlijk al gekomen tot de kern van mijn antwoord op de tweede vraag: Waarom Alicja Gescinska?

Ik ga zo meteen dieper in op dat aspect van ‘intensiteit’, maar eerst nog twee andere redenen. Ten eerste heb ik, eigenlijk door een toeval, twee jaar geleden een plotse belangstelling opgevat voor de Poolse kamermuziek. Die werd gewekt door een cd van het Meccore Kwartet uit Warschau, met daarop onder andere de twee strijkkwartetten van Karol Szymanovski. Hoewel ik de cd voor het eerst beluisterde op één van de kasseirijke Antwerpse kaaien – en dat is, toegegeven, een van de meest misdadige plaatsen om een cd een eerlijke kans te geven – was ik binnen enkele seconden zo van mijn sokken geblazen dat ik mij geparkeerd heb en de hele cd van begin tot einde heb uitgeluisterd. Ik heb het Meccore Quartet de dag daarop meteen uitgenodigd en vorig jaar hebben ze hier in Leuven die Szymanovski-kwartetten op een werkelijk verbluffende manier uitgevoerd. Van daaruit ben ik verder gaan grasduinen in het Poolse repertoire, wat er toe geleid heeft dat er in de editie van dit jaar, naast de 24 preludes van Frederic Chopin (die een beetje een buitenbeentje vormen) ook 5 werken van Krzyzstof Penderecki, een strijkkwartet van de in Polen geboren Mieczysław Weinberg, en een klavierkwintet van de onwaarschijnlijk veronachtzaamde vrouwelijke componiste Grazina Bacewicz op ons programma staan. Dat programma is dus ongewoon Pools ingekleurd, en van daaruit is de link naar Alicja Gescinska natuurlijk snel gelegd.

Een tweede reden was natuurlijk dat Gescinska al vaker haar grote fascinatie voor muziek had laten blijken. Die diepe betrokkenheid komt misschien nog het sterkst tot uiting in haar roman Een soort van liefde. Vanuit die roman kon je eigenlijk al aanvoelen dat Gescinska veel meer over muziek te zeggen had dan binnen de context en het bestek van die roman mogelijk of wenselijk was. Ook vanuit die optiek lag onze uitnodiging dus erg voor de hand.

Toch waren niet Gescinska’s Poolse origine en haar grote muzikale betrokkenheid de doorslaggevende redenen om haar te vragen voor ons eerste festivalessay. De echte reden daarvoor was mijn grote waardering voor haar eerder gepubliceerde filosofische werk. Zowel haar studie De verovering van de vrijheid als het kleinere essay Allmensch troffen mij diep in de ziel. Het zijn boeken die vertrekken vanuit een haast onvoorwaardelijke liefde voor het leven. Maar die liefde is niet vrijblijvend. Er gaat een enorm appel van uit om zichzelf en anderen op te roepen om het beste in zichzelf te ontwikkelen. Voor mij is dit het kernthema in Gescinska’s werk: de aansporing tot voortdurende zelfontplooiing. Die gaat gepaard met een vaak mild geformuleerde, maar desalniettemin zeer doortastende kritiek op ons individuele gedrag en op onze hedendaagse cultuur, en vooral op de totale perversie van het vrijheidsbegrip dat erin overheerst. Gescinska zet zich af tegen een negatief vrijheidsbegrip dat, niet zelden uit gemakzucht of egoïsme, focust op het vrijwaren van een belabberde ‘ik-doe-toch-wat-ik-wil’-ethiek. In contrast daarmee breekt ze een leger lansen voor een positieve vrijheid: een vrijheid die uitdaagt om het mogelijke te doen, om de eigen luiheid en zelfgenoegzaamheid te overwinnen, om zichzelf, en daarmee ook de wereld beter te maken.

Het verdedigen van dergelijke gedachten vraagt een enorme moed. Het lijkt misschien makkelijk om wat te moraliseren in de marge, maar niet als daar een waarachtig engagement aan gekoppeld is. Sowieso vergt het veel kracht en een rotsvaste overtuiging om zogenaamde ‘zwakke’ of ‘kwetsbare’ waarden zo vurig en zonder toegeeflijkheid te verdedigen. Niet zelden botsen dergelijke oproepen immers op blikken van meewarigheid of muren van onverschilligheid. Maar Gescinska laat zich er niet door ontmoedigen. Ze schrijft vanuit een noodzaak die ze zich niet laat ontnemen. Die noodzaak stelt dat de mens de morele opdracht heeft om zichzelf te vervolmaken. Ze slaagt erin dat inzicht te verdedigen zonder in de val van de prekerigheid te trappen. Bovendien bewerkstelligt ze in haar denken een soort omkering van de waarden. Daarbij groeit bij de lezer het bewustzijn dat het meer kracht en moed vergt om in de bres te springen voor kwetsbare waarden, dan om mee te dansen met de paradepaardjes van het alledaagse nuts- en machodenken. Gescinska’s werk gaat in essentie over ‘waarden’, in een tijdperk waarin de belangrijkste waarde het bruto nationaal product is geworden – om het met Martha Nussbaum te zeggen. Zij voert een strijd tegen vervlakking, tegen een onderwijs dat zichzelf een eenzijdige waarheid wijsmaakt, tegen een maatschappij waarin de aandacht verslapt en het gemak de plak zwaait, tegen een globaal verlies aan intensiteit.

Hooghartigheid is haar daarbij vreemd. Zij schuwt de zelfkritiek niet, en bovendien laat ze geregeld binnenkijken in haar eigen leven. Ze doet bekentenissen die haar niet zwak maken, maar anderen wel kunnen aansterken. Ze beseft dat men maar kan pleiten voor een herwaardering van kwetsbare waarden wanneer men ook bereid is zichzelf niet in een pantser te hijsen, laat staan in een kardinaalskostuum. Kwetsbare waarden vragen een onvoorwaardelijk engagement; moraal vraagt, aldus Gescinska zelf, “een volledige overgave”.

En daarmee ben ik terug gekomen tot het essentiële punt van onze uitnodiging aan Alicja Gescinska om voor Festival 20/1 het eerste festival-essay te schrijven. Hoe vrij we haar ook lieten in de keuze van het eigenlijke onderwerp van haar essay, het was haast onvermijdelijk dat haar permanente waardenstrijd er rechtstreeks of onrechtstreeks de kern zou van uitmaken, en dat haar essay daardoor mij en vele anderen opnieuw in de ziel zou raken. De ondertitel van haar tekst spreekt wat dat betreft boekdelen: ze noemt muziek “een oefening in menselijkheid”; muziek is een vorm van communicatie waarin het ik zich kan ontplooien, waarin de toenadering tot de andere tot stand kan komen, en waarin het bewustzijn van een grotere gemeenschappelijke verbondenheid kan doordringen.

Elk van deze vragen hangt samen met de echte kernvraag van Gescinska’s nieuwe essay: kan muziek ons tot betere mensen maken? Die vraag roept natuurlijk herinneringen op aan de tot slogan gedegradeerde strijdkreet van Antwerpen ’93: ‘Kan kunst de wereld redden?’ Dat deze vraag inderdaad tot slogan werd versimpeld, lag overigens niet aan de vraag. Het lag aan het misverstand dat deze vraag louter retorisch bedoeld was – en dat was ze niet. Het antwoord op de vraag of kunst de wereld kan redden is immers een volmondig ja, net zoals het antwoord op de vraag of muziek ons tot betere mensen kan maken een volmondig ja is. Dit ‘ja’ is geen symptoom van een ontwortelde naïviteit, maar een getuigenis van het inzicht dat kunst in de verbetering van de wereld wel degelijk een essentiële rol te vertolken heeft – niet ‘de kunst voor de kunst’ natuurlijk, maar de kunst in zoverre die een moreel en maatschappelijk appel inhoudt, in zoverre die ons beter leert luisteren en kijken, in zoverre die ons empathisch potentieel activeert, in zoverre die het beste in onszelf doet ontwaken en aanwakkert. Wie dat weglacht, neemt de wereld niet ernstig.

Ik dank u

Pieter Bergé, artistiek directeur Festival 20/21

Historiek

Het Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant is een afdeling van vzw Samenwerkende vereniging Festival van Vlaanderen. Deze afdeling werd opgericht in 1995 onder impuls van de nieuwe provincie Vlaams-Brabant, de stad Leuven, de KU Leuven en enkele bedrijven.


Profiel 1995 - 2005

De eerste jaren staat in Leuven zowel polyfonie, 20ste-eeuwse als klassiek-romantische muziek op het programma. Deze keuze was gemotiveerd door de intentie om kwaliteitsvolle muziek uit de marge (polyfonie en 20ste eeuw) een prominentere plaats te geven. In 2000 start TRANSIT, een festival voor hedendaagse muziek. In Vlaams-Brabant krijgen de klassieke concerten een gemengd programma geïnspireerd op het programma in Leuven.


Profielwijziging 2006

In 2006 worden drastische artistieke keuzes gemaakt. De concerten in Leuven focussen voortaan op de muziek uit de 20ste eeuw/NOVECENTO én de 21ste eeuw/TRANSIT.


Nieuwe naam 2015 


Het Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant krijgt een nieuwe naam ‘Festival 20/21’. De focus blijft gericht op de onuitputtelijke muziekbronnen van de 20e (Novecento) en 21e eeuw (Transit).


Meer dan ooit Festival 20/21
Vanaf 2018 heet het festival gewoon Festival 20/21 – een festival dat het repertoire van het nabije verleden centraal plaatst en tegelijk onbevreesd vooruitkijkt naar wat de muzikale toekomst brengt. Transit, het creatiefestival voor nieuwe muziek, blijft daarbij wel een heel bijzondere rol spelen.

Festival 20/21 is lid van / is a member of: Festival van Vlaanderen www.festival.be & European Festivals Association (EFA) www.efa-aef.eu

Subsidiënten en sponsors